18785

Corpus

Corpus

Corpus

bronze with remains of the gilding
Rhine-Mosane, end 13th - early 14th century
h: 20 cm
SOLD

phone 0032 3 314 90 34 mobile 0032476 963 483.

READ

FULL DESCRIPTION

- Bronzen Corpus -


Situering
Tijdens de Romaanse periode beheerste de afbeelding van het laatste oordeel de timpanen boven de kerkelijke toegangspoorten. De talrijke pelgrims die de kathedralen bezochten, werden afgeschrikt door de strenge dreigende rechter en de angstaanjagende wezens van de Apocalyps ( bv. Autun, Beaulieu-sur-Dordogne, Conques). Naast monsterlijke dierfiguren zien we de meest raadselachtige wezens. Hun oorsprong gaat terug tot in de oudheid . Via de eerste kersteningen en het vroege monnikendom werden deze beeldtalen uit diverse andere culturen overgenomen. Deze heidense en magische beeldtaal kreeg een andere betekenis voordat ze uiteindelijk in de Romaanse kerken van Frankrijk, Spanje en Italië haar plastische uitdrukking kreeg.
De grote bedevaarten van het Romaanse tijdperk brachten een stroom van pelgrims op gang. Overal waar een pelgrim een kerk betrad, kwam hij oog in oog te staan met satan en zijn handlangers. De middeleeuwer moest doordrongen worden van angst voor de onverklaarbare machten. Deze angst voor de verschrikkelijke kwellingen die hem te wachten stonden, moesten hem ervan weerhouden om te zondigen.

Aan het einde van de 11de eeuw herontdekt men binnen de Romaanse kunst de oudheid. Deze zogenaamde ‘1ste renaissance van de gotiek’ verspreidt zich vanuit Santiago de Compostella naar Zuid-Frankrijk en de rest van Spanje. Ze komt vooral tot uiting in de architectuur waarbij men teruggrijpt naar Corinthische motieven en structuren. Belangrijke voorbeelden zijn o.a. de kerk van Santiago de Compostella, de Saint-Martin in Fromista, de kathedralen van Pamplona en Jaca, Saint-Sernin in Toulouse en de kerk Saint-Pierre in Moissac.
Omstreeks 1200 manifesteert zich een zogenaamde ‘2de renaissance van de gotiek’. Ditmaal met ingrijpende gevolgen voor de beeldhouwkunst. Het is de periode van de bouw van de grote kathedralen.

Maar er is meer, ook de tijdsgeest is veranderd. In de kathedraal van Chartres is niets meer terug te vinden van de verschrikkingen van het einde der wereld. De monsters zijn verhuisd naar de rand van het portaal en zijn nauwelijks zichtbaar. Christus verschijnt niet meer als de angstaanjagende redder, maar als de verlosser. De hier afgebeelde figuren zijn verstild en van een expressieloze schoonheid. Tekens van de dierenriem en kalenderbeelden, symbolen van de vrije kunsten, doen hun intrede.

Rond de eeuwwisseling tussen de 12de en de 13de eeuw is de beeldhouwkunst in Noord-Frankrijk in de greep van een antiquiserende stroming (terug naar de antieken). De figuren die worden afgebeeld, zijn gehuld in antieke gewaden met vloeiende plooien waaronder hun lichaamsvormen zichtbaar zijn. Zij komen los van de zuilen en krijgen individuele menselijke kenmerken, beweeglijkheid en emotionele uitdrukking.

De beroemde portalen van de kathedralen zoals de Notre-Dame van Parijs, Senlis, St.-Denis en Chartes worden beschouwd als beginpunt van de gotische beeldhouwkunst.

Er groeit een nieuw bewustzijn. De mensen voelen zich niet meer zo gedomineerd door de onverbiddelijkheid van God en de kerk. De ketterbewegingen die gans Europa overspoelen, veroorzaken een complete ommekeer in de Europese mentaliteit. De schrikbeelden van de timpanen hebben geen vat meer op de toeschouwers die bijna allemaal analfabeet zijn. Zij wenden zich liever af richting ketters . De kerkelijke overheid, bouwheren en beeldhouwers moeten noodgedwongen toegeven aan dit nieuwe verlangen naar menselijkheid. De meer ‘menselijke’ boodschap die zij via de sculpturen willen verspreiden moet duidelijk en herkenbaar zijn. Scènes van de hel worden naar de kleinste plekjes verbannen. De vergiffenis voor diegenen die deemoed hebben, moet worden afgebeeld zodat de gewone middeleeuwer terugkeert naar de schoot van de kerk. Niemand kan deze stand van zaken in het menselijk denken terugdraaien al zal de kerk later in de 13de eeuw al snel terugkeren naar een meer ‘verheven’ en ‘ goddelijke’ stijl.

De invloed van de Oudheid / Antieken in het Maasland
Om de Maaslandse kunst van de 12de en 13de eeuw te begrijpen is het belangrijk om rekening te houden met het artistieke verleden van dit gebied. Deze zogenaamde ‘terugkeer naar de Antieken’ die kenmerkend was voor de streek, ontstond niet uit het niets maar was gebaseerd op een lange voorgeschiedenis. Het Maasland dat al vroeg was ingenomen door de Romeinen, bevond zich vanaf de 8ste eeuw in het hart van de Karolingische hervormingen. De belangrijkste reden van deze zogenaamde ‘renaissances’ – er waren er meerdere- was voornamelijk ingegeven door politieke en juridische motieven.

Dat had echter een enorme weerslag op het gebied van kunsten, letteren en wetenschap. Men inspireerde zich daarbij op het Rome van (de Christelijke) keizer Constantijn, niet op dat van ( de heidense) keizer Augustus. De kunstuitingen en vernieuwingen die daaruit voortkwamen, waren dus christelijk van iconografie en stijl.

Deze ‘Verlichting’ werd door Wibald de Stavelot, de grote Maaslandse abt in de 12de eeuw als volgt beschreven :“ Wij komen in een vreemd kamp terecht, niet als vluchtelingen en deserteurs, maar als ontdekkers van een rijke oogst…”

De maaslandse kunstenaars uit de 12de eeuw die teruggrepen naar de Oudheid hadden meerdere voorbeelden tot hun beschikking; eerst en vooral de werken van de Gallo-Romeinen, daarnaast de werken van de Karolingers die rechtstreeks waren afgeleid van de Oudheid en zich vermengd hadden met de zuiderse artistieke tradities. Bovendien hadden ze ook nog toegang tot een derde lijn namelijk de Byzantijnse kunst waarvan de werken sinds de middeleeuwen courant in onze streken werden ingevoerd.

Deze inbreng is terug te vinden in alle aspecten van de maaslandse kunst. Sommige stilistische en iconografische kenmerken uit de oudheid kennen een heropleving die toe te schrijven is aan een doordachte strategie die samenhangt met de keizerlijke macht. We mogen niet vergeten dat het bisdom Luik toen deel uitmaakte van het keizerrijk.

De meest geslaagde uitingen van deze terugkeer naar de Antieken vinden we terug in de edelsmeedkunst. Dat ligt voor de hand. De edelsmeedkunst was een artistiek product dat was voorbehouden aan een kleine elite. Ze werd dus in het merendeel van de gevallen ontwikkeld voor een select aantal mensen dat bezeten was van de oudheidkundige cultuur en daardoor gevoelig was voor de idealen van de keizerlijke propaganda.























Begin van de gotiek
De grootste groep romaanse bronzen corpussen vertonen allemaal een lang lendendoek met bovenaan een horizontale afwerking die in het midden is geknoopt. Men beschouwt dit soort corpus als het basismodel of basistype van de grote groep romaanse en later gotische bronzen corpussen.
Bij al deze corpussen onderscheiden we een middenplooi en een symmetrisch opgebouwde structuur. De zijkanten worden meestal opgevuld met gegoten of gegraveerde plooien. De middelste plooi kan bestaan uit één platte plooi, uit een platte plooi met dubbele lijnen of met meerdere kleine plooien.
Het perizonium dat altijd horizontaal is afgeboord, komt bovenaan in het midden samen in een knoop. We onderscheiden drie verschillende knopen: een gespknoop, een dasknoop en een kruisknoop.
Dit basistype gaat terug op het Byzantijnse archetype. Er zijn een 100-tal varianten bekend die gebaseerd zijn op dit basistype. Ze zijn te situeren in Westfalen, Neder- en Bovenrijn, Frankrijk en het Maasgebied. Enkele exemplaren wijzen naar Engeland. Aan het eind van de 12de eeuw komt er meer beweging in de corpus. Zijn gelaat krijgt meer realistische trekken. Dat is het begin van de gotiek die in zich nog romaanse en antiquiserende kenmerken meedraagt en verenigt.


Beschrijving
Deze corpus spreekt ons aan door zijn milde en zachte uitwerking.
Het hoofd van Christus neigt lichtjes naar de rechterschouder. Zijn lange haren vallen achterwaarts op zijn schouders. De ogen zijn gesloten. Hij draagt geen doornenkroon. De benen zijn lichtjes geopend. De voeten die over elkaar zijn geslagen rusten op een ‘suppedaneum’ een soort sokkeltje ter ondersteuning. De nagel waarmee de voeten aan het kruis zijn genageld, is zichtbaar.

Dit corpus vertoont reeds een eerste aanzet van de gotische S-vorm. De borstkas is lichtjes geprononceerd. Onder de tepels zijn aan elke zijde zes ribben zichtbaar. Aan zijn rechterzijde* zien we de steekwond die hem werd toegebracht door Longinus toen hij aan het kruis hing. Boven het perizonium is een licht golvend buikje zichtbaar. De lendenen zijn geprononceerd.

* In deze periode wist men nog niet waar het hart lag; alle goede dingen bevonden zich aan de goede kant= de rechterkant

Het perizonium dat tot net boven de knieën valt, komt aan de rechterzijde samen; er is geen knoop zichtbaar maar de punten zijn in elkaar geplooid. Van daaruit vertrekken mooie soepele gebogen plooien die gans de voorzijde innemen. Aan beide zijkanten valt het lendendoek in een verticale soort zigzagplooi.
Het doek zelf is versierd met een boord. Het hoofd van Christus neigt lichtjes naar voren, een fenomeen dat we voor het eerst zien bij romaanse corpussen.

Het gezicht is uitgewerkt in krachtige lijnen; wenkbrauwen en neus vormen één lijn. Christus heeft zijn ogen gesloten maar de oogleden zelf zijn geprononceerd. Hij draagt een korte baard waarin de lippen van zijn gesloten mond mooi zijn uitgewerkt. Zijn haren vertrekken vanuit een middenscheiding in golvende lijnen.

De armen zijn lichtjes gebogen en staan schuin opwaarts gericht; ze zijn geleed ter hoogte van de ellebogen. De handen zijn volledig open naar de toeschouwer gericht.
Deze corpus is vervaardigd in gegoten brons dat vervolgens werd verguld. Er zijn nog mooie sporen zichtbaar van deze vergulding.

Stilistisch gezien - proporties, S-vorm, ledematen, plooival, perizonium - kunnen we dit corpus situeren eind 13de eeuw, mogelijk begin 14de eeuw. We zien hier een gotische corpus met nog enkele romaanse stijlkenmerken zoals de getekende ribben, de gelede armen, de lijn neus/wenkbrauwen.
In tegenstelling tot vroegere exemplaren is er echter over gans de lijn al een zekere zachtheid ingetreden. Deze Christus heeft een serene uitstraling. Het is geen lijdende Christus, we zien hem op het moment dat hij reeds gestorven is. In het soepele golvende perizonium met de zijdelingse plooival is de invloed van de oudheid te bespeuren. Het gelaat van Christus gaat dan weer voort op een type van romaanse corpussen dat we kennen uit het Maasgebied.

Al deze elementen, de sterkte van dit corpus en de stijlkenmerken – vooral het licht voorovergebogen hoofd- wijzen naar een kunstenaar die werkte in het Maas- Rijngebied ( = streek tussen Oost-België, Noord-Oost-Frankrijk en West-Duitsland) met gezien het voorgaande, een sterke voorkeur voor Maasland.

Origine
Maas- Rijngebied, eind 13de –begin 14de eeuw, brons met mooie resten van originele vergulding.

Afmetingen
Hoogte: 20 cm

Beschadigingen
zichtbare slijtage

Restauraties
Geen.








Herkomst (Provenance)
Wij kochten dit corpus op de Nederlandse kunstmarkt. Naar verluidt zou hij afkomstig zijn uit een Engelse privé collectie.
















Luc De Backker
februari 2011