18785

Zacharias

Zacharias

Zacharias

polychromed nutwood
Burgundy, ca. 1450

phone 0032 3 314 90 34 mobile 0032476 963 483.

PROVENANCE

EXPERTISE

Sculptuur ‘ Zacharias ‘

Zacharias (soms geschreven Zaccharias) of Zakariya was volgens het Lukasevangelie een priester in de lijn van Abia, de man van Elisabeth en de vader van Johannes de Doper. Hij leefde ten tijde van Herodes, koning van Judea.

Zaccharias en zijn vrouw waren afstammelingen van Aaron. Zij woonden in Judea bij Jeruzalem. Zij konden geen kinderen krijgen en kinderloosheid werd in die tijd, zeker als het een priester van de tempel betrof, beschouwd als een straf van God. In plaats van zijn geloof af te vallen werd Zacharias nog overtuigder in de leer. Deze beproeving en houding van het echtpaar werd uiteindelijk beloond. Tijdens een gebed in de tempel verscheen aan Zacharias een engel. Deze gaf aan Gabriël in eigen persoon te zijn, met een boodschap van God. Hij kondigde aan dat zij, bejaarde mensen, alsnog een zoon zouden krijgen die de wegbereider van de Messias zou worden. Ze moesten hem Johannes noemen. Zacharias geloofde hem niet en vroeg om een teken. Gabriël voorspelde hem dat hij zijn spraakvermogen zou verliezen tot de dag van de geboorte van hun zoon. Toen Zacharias de tempel weer uitkwam, was hij niet in staat om de menigte toe te spreken die zich daar verzameld had. Toch begrepen zij dat hij een visioen had gezien. Zacharias bleef inderdaad stom en Elisabeth werd zwanger. Toen Elisabeth een zoon gebaard had, wilen de buren het kind op de achtste dag laten besnijden en het de naam Zacharias geven, naar zijn vader. Elisabeth stond er echter op dat het kind Johannes genoemd zou worden. Men vroeg Zacharias om een beslissing te nemen. Hij vroeg om een schrijftafel en schreef de woorden ‘Johannes is zijn naam’. Op dat moment werd hij verlost van zijn stomheid en werd hij vervuld met de Heilige Geest. Hij sprak de profetie die bekend is geworden als ‘Lofzang van Zacharias’.





Situering: Klaus Sluter en zijn tijd

Het huwelijk van Filips de Stoute met Hertogin Margaretha van Vlaanderen markeert het beginpunt van de Bourgondische invloed in de Nederlanden. Het nieuwe hof van Bourgondië dat zich gevestigd had in Dijon trok allerlei kunstenaars aan vanuit gans Noord Europa. Door middel van succesvolle annexaties onstond al vlug een echte Bourgondische rijk.
De nieuwe hertog stichtte in Champmol net buiten Dijon een nieuw Kartuizerklooster waar de graftombes van zijn geslacht ondergebracht werden. Margaretha van Vlaanderen legde op 1383 de eerste steen.

De eerste beeldhouwer die werd aangetrokken was Jean de Marville, opgeleid in de tradities van de Parijse kunst. De bouw van dit nieuwe klooster trok meerdere beeldsnijders aan die voordien werkzaam waren in Brussel. Onder hen was Claus Slüter, van Noord-Nederlandse afkomst ( mogelijk Haarlem). Zijn genialiteit kwam pas echt op de voorgrond toen hij Jean de Marville opvolgde in 1389. Deze had steeds gewerkt in de vroegere middeleeuwse traditie waar de pilaarbeelden deel uitmaakten van de architectuur. In plaats van de strakke plannen van zijn voorganger op te volgen, volgde Slüter zijn eigen stijl. Hij creëerde levendige figuren die los in de ruimte stonden en een eigen entiteit kregen. Deze onconventionele aanpak veroorzaakte een echte stijlbreuk met de strenge architectonische structuren, maar het was ongetwijfeld een compleet nieuwe trend in de beeldsnijkunst.
Het scherpe realisme van deze ‘portretten’ in steen - met echte oogleden, echte rimpels, geaderde huid - waardoor de trekken nog benadrukt werden in plaats van ze te verzachten, de volheid van de kleding waarvan het gewicht haast voelbaar is, de levendige dynamiek.. dit alles was volledig nieuwe en vol uitdrukkingskracht. Zijn volplastische lichtjes gedrongen figuren drukken zowel in houding, gebaren en gelaat zeer sterk en nadrukkelijk hun innerlijke gevoelens uit.

De zes profeten aan de ‘Put van Mozes’ (1395-1402) vertonen elk een eigen karakter. Met zijn ‘realisme van de lelijkheid’ maakt hij als het ware karakterportretten van de Bourgondische hertog en hertogin: Filips de Stoute, koud en berekend en de hertogin, autoritair en lastig. Net zoals de kroniekschrijvers hen hebben beschreven. De zeer gekende veertig rouwende figuren of ‘pleurants’ rond de graftombe van Filips de Stoute
( thans in het museum van Dijon) vormen samen een pathetische ‘marcia funebra’ uit de begrafenisstoet. Zij vertolken elk op hun eigen persoonlijke manier de rouw en het verdriet om de overleden vorst.

Claus Slüter was een vernieuwer. Hij wordt beschouwd als één van de belangrijkste gotische kunstenaars. Met hem begin de zogenaamde ‘ internationale stijl’. Dit is een fase tussen pakweg 1400 en 1420 waarin er meer belangstelling is voor realisme en plasticiteit. Sluter loopt vooruit op deze hang naar realisme en plasticiteit en hij weet dit ook veel overtuigender te realiseren dan zijn tijdgenoten. Zijn stijl is uiterst individualistisch.


Nergens in Bourgondië of in de Nederlanden vinden we voorlopers of voorbeelden van het nieuwe realisme van Sluter; Integendeel, algemeen wordt aangenomen dat Claus Slüter de voorloper was van Jan van Eyck. Gans de 15de eeuw werd zijn werk geïmiteerd en nagevolgd. De invloed van zijn werk reikte tot ver buiten Bourgondië en zelfs ver buiten Frankrijk.

Claux de Werve werkte in het atelier van Slüter . Hij vervolledigde de graftombe met de pleurants en hij deed dit zo voortreffelijk dat men tot op heden niet weet welke pleurants vervaardigd werden door Sluter en welke door de Werve. Monniken en pleurants zijn in de Bourgondische sculptuur twee nauw gelieerde en soms moeilik te onderscheiden groepen. De dracht van de pleurants is een improvisatie op de monnikenpij.

Andere navolgers: John Michel, Georges de la Sonnette, Jean de la Huerta, Janin Lomme, Antoine Le Moiturier .



Beschrijving:

We zien hier een mannelijke figuur. Hij draagt een lang kleed met lange mouwen en ronde halsuitsnijding dat hoog om zijn middel wordt samengehouden door een platte riem. Daarover heeft hij een mantel die over zijn schouders is geslagen en die over de armen valt. Deze mantel die onder de linkerarm wordt opgehouden ( Brussels stijlkenmerk), valt daaronder in grote V-vormige plooien neer.
De man heeft een hoog, breed gegroefd voorhoofd. Hij draagt een soort platte jodenhoed zonder opstaande rand maar met een neerhangend stuk aan de achterzijde. Aan weerszijden van de muts zien we halflang golvend haar dat eindigt in een opwaartse krul.
De blik van de man is inwaarts gericht. Het is het gezicht van een oude man. Zijn gelaat met duidelijk gerimpeld vel heeft zeer realistische en persoonlijke trekken. Tussen de oogleden die lichtjes geopend zijn zien we een stukje van het oog. ( Nota: Claus sluter was de eerste beeldsnijder die zijn sculpturen echte oogleden gaf). De mond heeft dunne neerhangende lippen. Hij houdt zijn linkerhand opwaarts gericht voor zijn borst; hij is in gepeins verzonken en maakt met dit wijzend gebaar naar zijn mond duidelijk dat hij niet kan spreken.
In zijn rechterhand houdt hij een banderol met daarop de naam ‘Sacarias’.
Zelfs zonder deze verwijzing is het meer dan duidelijk dat dit skulptuur de voorstelling is van de profeet Zacharias.

Een hypothese zou kunnen luiden dat dit beeld gemaakt werd door een Bourgondische beeldsnijder die normaal gezien werkte in steen. Dit wordt bevestigd door het aanbrengen van de ‘verbindingsspie’ tussen de hand/duim & wijsvinger en de borst, iets wat totaal niet gebruikelijk was bij het sculpteren in hout maar wat wel gedaan werd bij het werken in marmer en albast. Bovendien is gans de sculptuur gevat in één blok; er zijn geen uitstekende delen zoals handen die apart werden gesneden. De zachte, bijna vettig aandoende behandeling, de realistische detaillering, de soepelheid en de manier waarop de kleding is gedrapeerd wijzen eveneens naar de werkwijze van een steenhouwer.
Nota: Het is niet ondenkbaar dat dit sculptuur gemaakt werd als ‘model’ voor het vervaardigen van een groter beeld in steen.

Deze figuur is prachtig uitgewerkt. In dit verband lette men op details zoals de oogleden, de sierlijke handen, de plooien van de draperie. Het gezicht heeft geprononceerde, realistische kenmerken, zoals de rimpeltjes langs de mond, rond de oogleden en aan de hals. De polychromie van de ogen is verbluffend realistisch.
De handen zijn zeer elegant en ook de houding van de handen is uiterst verfijnd. De compositie van de dikke stof met de krachtige plooien is doordacht en harmonieus; de verticale pijpplooien van het kleed worden benadrukt door het speelse contrast met het V-vormige plooienspel van de mantel.
Ook de houding van de figuur zelf, getuigt van grote klasse; Zo is er de nauwelijks merkbare maar toch aanwezige contrapost waarbij de rechterknie lichtjes vooruit steekt en het bovenlichaam lichtjes naar rechts is gedraaid. De plaatsing van het hoofd vervolledigt de S-vorm.
De sculptuur is haast volledig uitgewerkt in ‘ronde bosse’. De rugzijde is echter lichtjes afgeplat.

Alle stilistische kenmerken van dit beeld doen vermoeden dat het een werk is van een tijdgenoot én navolger van Slüter. Zo vertoont deze sculptuur overeenkomsten met de ‘Jeremiah’ van de Mosesput in Dijon, één van de belangrijkste werken van Claus Slüter ( ca. 1400).

De sculpturale kwaliteiten, de expressie van ingehouden emotionaliteit, het raffinement van de details en de sobere maar prachtige polychroom maken deze sculptuur tot een absoluut meesterwerk.

Origine:
Bourgondië, ca. 1420
Notenhout met mooie resten van originele & oude polychroom ( letters op de banier mogelijk herschilderd)

Afmetingen
Hoogte: 59 cm

Beschadigingen
Gebruikelijke slijtage

Restauraties
Dit sculptuur werd in onze opdracht door mevr. Céline Fournier oppervlakkig gereinigd en behandeld tegen insecten. Het gelaat werd minutieus gereinigd. Het thans aanwezige inkarnaat is volledig origineel. Er werden geen retouches aangebracht.
Onderaan is later ooit een houten halfronde schijf bevestigd teneinde de houding van het beeld bij te stellen.

Herkomst
Wij kochten deze sculptuur via een tussenpersoon uit een anonieme Franse privé-collectie maar we weten dat dit scultuur oorspronkelijk afkomstig is uit de privé collectie van Dr. Paul Collete, historicus en professor aan de universiteit van Montréal ( °1928 - 2003) - zie etiket rugzijde-.












Luc De Backker
Juli 2009